Hoeveel BHV'ers per medewerker? Reken per dienst, niet per hoofd
"Hoeveel BHV'ers hebben jullie?" vraag ik aan het begin van bijna elke training. "Drie." "En wie van die drie is er nu?" Stilte, dan: "Eh, ik." Dan is het antwoord dus één. Hoeveel BHV'ers je per medewerker nodig hebt, zegt de wet niet: er staat geen aantal in, en "1 op 50" is een regel die in 2007 is geschrapt. Wat er wél staat: zolang er gewerkt wordt, is er een BHV'er. Je rekent dus niet per hoofd, maar per locatie en per dienst.
Ik geef al 14 jaar BHV-trainingen en heb honderden bedrijven dit sommetje zien maken, meestal verkeerd. Hieronder wat de wet echt eist, waar de fabel vandaan komt, hoe je het aantal in vier stappen uitrekent en drie rekenvoorbeelden uit de praktijk.
Wat de wet zegt: geen aantal, wel altijd iemand
Artikel 15 van de Arbowet verplicht elke werkgever om bedrijfshulpverlening te organiseren en daarvoor één of meer werknemers aan te wijzen. Hoeveel? Dat laat de wet bewust open. De eis is dat het aantal, de opleiding en de uitrusting passen bij de risico's uit je RI&E, en dat de hulp er is op het moment dat het nodig is.
Dat laatste is de regel waar het echt om draait, en die vergeten de meeste bedrijven. De Rijksoverheid formuleert het zo: zorg dat er altijd genoeg BHV'ers in je bedrijf zijn, ook bij ziekte of vakantie. Niet "genoeg opgeleid", maar "genoeg aanwezig". Een certificaat in een la helpt niemand die op de grond ligt.
Of BHV überhaupt verplicht is voor jou (ja, vanaf één werknemer) en wat de boete is als je het niet regelt, staat in is BHV verplicht. Hier gaat het om het aantal.
Waar "1 BHV'er per 50 medewerkers" vandaan komt
Tot 1 januari 2007 stond er in de regelgeving een vuistregel: één BHV'er per vijftig aanwezige werknemers. Die is toen geschrapt, samen met de regel dat kleine bedrijven het zelf mochten doen. De reden is logisch: één getal past bij geen enkel bedrijf. Een architectenbureau met vijftig mensen op één verdieping en een productiebedrijf met vijftig mensen, drie ploegen en een spuitcabine hebben niets gemeen behalve het aantal.
Toch hoor ik de regel in bijna elke training nog terug, vaak als "dat is de norm". Ook het NIBHV zegt het inmiddels in één zin: sinds 1 januari 2007 is niet meer wettelijk vastgelegd hoeveel BHV'ers het moeten zijn. Dat is hij niet. Wie hem nu nog gebruikt, citeert een regel die bijna twintig jaar niet meer bestaat. Als je hem ergens wilt gebruiken, dan als ondergrens voor een rustig kantoor, nooit als antwoord.
Zo reken je het aantal BHV'ers uit in vier stappen
De RI&E bepaalt wat passend is. Dat klinkt vaag, maar de rekensom is concreet. Dit is de manier waarop ik het met klanten doe.
Stap 1: tel de aanwezigen, niet de medewerkers
Tel per locatie iedereen die er op een gewoon moment kan zijn: medewerkers, maar ook bezoekers, klanten, leveranciers, stagiaires, cursisten en onderaannemers. In een winkel, restaurant of school is dat aantal vele malen groter dan het personeelsbestand. Tel ook mensen die niet zelf kunnen vluchten apart: in de zorg en de kinderopvang bepalen zij het aantal, niet de collega's.
Stap 2: bepaal per dienst hoeveel BHV'ers er tegelijk moeten zijn
Dit is de kern. Stel jezelf per dienst (ochtend, avond, nacht, weekend) de vraag: als er nu brand uitbreekt of iemand valt neer, hoeveel mensen zijn er dan nodig om te alarmeren, te blussen of te reanimeren én te ontruimen? Voor een kleine kantoorlocatie is dat er één. Zodra je verdiepingen hebt, een tweede gebouw op het terrein, een magazijn naast het kantoor of mensen die begeleid moeten worden, wordt het er twee of meer per dienst. Een reanimatie alleen is al bijna niet vol te houden.
Weeg hierin mee wat je RI&E zegt over je risico's (machines, gevaarlijke stoffen, hoogte, open vuur) en hoe lang de hulpdiensten onderweg zijn. Op een afgelegen industrieterrein moet je team het langer alleen doen dan in de binnenstad.
Stap 3: reken de buffer voor afwezigheid erbij
Het aantal uit stap 2 is het aantal dat er moet zíjn. Om dat te halen heb je meer mensen nodig, want BHV'ers zijn ziek, op vakantie, parttime, thuis of net bij een klant. Mijn vuistregel: minimaal het dubbele van wat er per dienst moet zijn, en bij parttimers en ploegendiensten meer. Bedrijven met "één BHV'er per vestiging" hebben in de praktijk een derde van het jaar geen BHV'er. Kom je er een paar tekort? Vraag op de Dag van de BHV wie het wil worden.
Stap 4: leg het vast en check het per rooster
Zet per locatie en per dienst in je BHV-plan wie BHV'er is, en laat degene die het rooster maakt daar rekening mee houden. Niet ingewikkeld: een kolom "BHV" in het rooster, en de regel dat er nooit een dienst zonder staat. Precies zoals je ook niet plant dat de kassa onbemand is.
Rekenhulp: vul jouw situatie in
Liever niet zelf rekenen? Vul hieronder in hoe jouw locatie in elkaar zit; de rekenhulp doet de vier stappen voor je.
Rekenhulp
Hoeveel BHV'ers heb jij nodig?
Vul in hoe jouw locatie in elkaar zit. Je krijgt meteen het minimum per dienst en het aantal dat je moet opleiden om dat elke dag te halen.
Per dienst minimaal 1 BHV'er, dus minimaal 2 opgeleid.
Eén BHV'er per dienst en het dubbele opgeleid, zodat er ook bij ziekte en vakantie iemand is.
Dit is een indicatie op basis van de vier stappen hierboven. Je RI&E blijft leidend; twijfel je, reken dan naar boven af.
Drie rekenvoorbeelden uit de praktijk
Kantoor, 40 medewerkers, één verdieping, kantoortijden. Er moet er per dag één zijn; met flexibele werktijden en thuiswerken eerder twee, want de vroege en de late collega zijn zelden dezelfde. Met de buffer kom je op vier opgeleide BHV'ers. Dat is meer dan "1 op 50", en toch is het het eerlijke antwoord: vier mensen zorgen dat er élke dag iemand is.
Magazijn met kantoor, 60 medewerkers, twee ploegen. Twee gebouwen, heftrucks, een acculaadruimte. Per ploeg wil je er twee: één in het magazijn, één op kantoor, en samen kunnen ze een reanimatie of een beginnende brand aan. Twee ploegen keer twee is vier per dag, met buffer acht opgeleide BHV'ers. Hier kom je met "1 op 50" (dus 1,2 BHV'er) op een aantal dat op geen enkele dag klopt.
Winkel, 8 medewerkers, op zaterdag 150 klanten in het pand. Personeel zegt: één BHV'er is genoeg. De klanten zeggen iets anders: bij een ontruiming op zaterdag stuur je 150 mensen die de nooduitgang niet kennen naar buiten, terwijl iemand anders bij de gevallen klant blijft. Per dienst twee, en omdat winkelpersoneel vaak parttime is: minimaal vijf opgeleid.
Zie je het patroon? Het aantal medewerkers is in geen van de drie de bepalende factor. De diensten, de gebouwen en de mensen die er te gast zijn, dat is wat telt.
Van "hoeveel" naar "wie is er nu": zo houd je het dekkend
De meeste bedrijven die ik zie hebben genoeg mensen opgeleid en toch te vaak niemand in huis. Dat lost geen extra cursus op, maar organisatie:
- Spreid je BHV'ers over teams en diensten. Zitten ze allemaal op de administratie, dan is het pand tijdens hun teamuitje onbeschermd.
- Maak BHV onderdeel van het rooster, niet van de goede bedoelingen.
- Zet een tweede laag op. Iedereen op de vloer weet waar de blussers hangen, hoe het alarm werkt en waar de verzamelplaats is. Zij zijn geen BHV'er, maar ze zorgen dat de BHV'er niet alleen staat. In de zorg heten die collega's ontruimers.
- Spreek af wie de leiding neemt. Bij twee of drie BHV'ers per dienst is dat een afspraak; komen er vijf of meer tegelijk in actie, dan wil je een ploegleider. Wanneer een hoofd BHV of ploegleider zinvol is, lees je daar.
- Wissel niet te snel. Een BHV'er die het drie jaar doet en jaarlijks herhaalt, is meer waard dan drie mensen die elk één keer de cursus deden.
- Oefen met de bezetting die er echt is. Een ontruimingsoefening op een drukke dinsdagochtend zegt weinig over de late dienst op vrijdag.
Klein bedrijf, meerdere vestigingen of een verzamelgebouw
Klein bedrijf. Ook met vijf mensen ben je verplicht BHV te regelen, en ook dan is mijn advies: twee opgeleide BHV'ers, niet één. De eigenaar mag er zelf een van zijn. Twee mensen kost je twee dagdelen per jaar aan herhaling en het scheelt een derde van het jaar zonder dekking.
Meerdere vestigingen. Elke locatie telt apart. Een BHV'er op het hoofdkantoor doet niets voor de vestiging twintig kilometer verderop. Reken dus per pand, ook voor de kleine.
Bedrijfsverzamelgebouw. Samenwerken mag en is vaak slim: de Arbowet staat toe dat huurders samen BHV organiseren, mits het op papier staat wie wat doet en iedereen de afspraken kent. Wel blijft elke werkgever zelf verantwoordelijk. "De buren hebben een BHV'er" telt alleen als dat is vastgelegd en die buren er ook zijn op jouw werktijden.
Wat je nodig hebt om de som te maken
De rekensom hierboven vraagt om drie dingen die je waarschijnlijk al (deels) hebt: een actuele RI&E met je risico's, een overzicht van diensten en locaties, en een eerlijk beeld van wie er wanneer is. Heb je die drie, dan is het aantal in een half uur bepaald. Twijfel je, reken dan naar boven af: te veel BHV'ers heeft nog nooit iemand in de problemen gebracht.
En dan het deel waar ik voor kom: die mensen ook echt iets leren. Bij ons betekent dat een BHV Basis Cursus op jullie eigen locatie (€160 p.p.) en een jaarlijkse herhaling (€110 p.p., excl. btw, inclusief e-learning vooraf en certificaat), vanaf 4 deelnemers. Geen zaaltje met een plattegrond van een ander pand, maar oefenen in het gebouw dat ze straks moeten ontruimen. Actuele prijzen staan op de cursuspagina's. Bereken in één minuut wat het kost voor het aantal dat je net hebt uitgerekend, dan plannen we de training op een moment dat de bezetting het toelaat.
Geschreven door
Kim Hertogh
Kim Hertogh is oprichter en hoofdtrainer van LevelUp BHV. Met meer dan 14 jaar ervaring in bedrijfshulpverlening heeft ze ruim 16.000 medewerkers opgeleid. Kim staat bekend om haar praktijkgerichte en persoonlijke aanpak, waarbij theorie en praktijk continu worden afgewisseld. Haar missie: teams het vertrouwen geven om in noodsituaties precies te weten wat ze moeten doen.
Veelgestelde vragen
De wet noemt geen aantal. Sinds 2007 bepaalt je RI&E hoeveel BHV'ers passend zijn, op basis van je risico's, het aantal aanwezigen (inclusief bezoekers) en je werktijden. De enige harde eis: zolang er gewerkt wordt, is er een BHV'er aanwezig, ook bij ziekte en vakantie. Praktisch komt dat voor de meeste bedrijven neer op minimaal twee opgeleide BHV'ers per locatie, en meer bij ploegen, verdiepingen of risico's.
Nee. Die vuistregel stond tot 2007 in de regelgeving en is toen geschrapt, juist omdat één getal niet past bij elk bedrijf. Een kantoor met 50 thuiswerkers heeft iets anders nodig dan een magazijn met 50 heftruckchauffeurs in twee ploegen. Wie nu nog "1 op 50" als norm noemt, citeert een regel die niet meer bestaat.
Minimaal twee, ook met vijf medewerkers. Eén BHV'er is op papier genoeg, maar zodra diegene ziek, vrij of bij een klant is, heb je er nul. Met twee opgeleide mensen is er bijna altijd iemand aanwezig. De eigenaar mag zelf een van die twee zijn.
Ja, zolang er gewerkt wordt. Dat is de eis die de Arbowet wél stelt: BHV moet beschikbaar zijn op het moment dat het nodig is. Reken daarom per dienst en per locatie. Een BHV'er in de dagdienst dekt de avondploeg niet, en een BHV'er op het hoofdkantoor dekt de vestiging in de stad ernaast niet.
Ja. Je rekent met iedereen die in je pand aanwezig kan zijn, niet alleen met je personeel. Een winkel met vier medewerkers en honderd klanten op zaterdag, of een verpleeghuis met bewoners die niet zelf kunnen vluchten, heeft meer hulpverleningscapaciteit nodig dan het aantal medewerkers doet vermoeden.
Het normbedrag voor het ontbreken van BHV is €3.000, naar bedrijfsgrootte verlaagd (bij minder dan vijf medewerkers €300) en bij herhaling verhoogd. Belangrijker: bij een ongeval kijkt de Arbeidsinspectie of je BHV-organisatie passend was bij je RI&E. "We hadden er één, maar die was vrij" is dan geen verdediging.